| Hij klinkt zoals hij is. Drie keer binnen
de minuut vraagt hij mijn naam opnieuw. Verstrooid in het banale, want gewend aan diepe
gedachten. En toch geen man van de geest. Daarvoor cist het lichaam te veel zijn rechten
op. Samengevat: één bol zenuwen. Stel hem een vraag en hij roept àààh, gooit zijn
hoofd in zijn handen, zucht diep en zegt dan met blinkende ogen: Claude Lévy-Strauss!
Wat geenszins het antwoord is, maar
voorbereidt op een lange uitleg die zich, als een vlieger, steeds verder ultrolt. Tot Zé
plots zwijgt, de vraag volkomen bijster. En zich uitvoerig ekskuseert.
Hij is eigenlijk Antonio José Santana
Martins. Geboren in 1936 in Irara, in de noordoostelijke staat Bahia. Knutselaar, die in
zijn vaders texticiwinkci het muziekvirus te pakken kreeg, zichzelf gitaar leerde spelen,
opgepikt werd door de ''Tropicalistas'' en in de jaren zestig muziek ging studeren aan de
universiteit.'' De helft van mijn familie was kommunistisch: ze lieten mij veel boeken
lezen. Strips waren taboe, want geestdodend. Ik mocht zelfs geen cola drincken ''.
Lacht: ''ze wilden de VS vernietigen, denk ik.'' Dat zijn zijn wortels: de afroritmen van
Bahia, een intellektuele kijk, Europese muziekideeen.
In 1973 dacht hij de syntese te hebben
gevonden. Onder invloed van Ernst Widmer leerde hij Stravinsky en Bartók Kennen.
Walter Smetak leerde hem zijn eigen instrumenten te bouwen. Hans Koellreutter bracht hem de
atonale teorieen van Schonberg bij. En Zé, die luisterde opnieuw naar de oude ritmen van
Bahia, herkende repetitie en atonaliteit, herdacht de samba en liet Todos os Olhos op zijn
land los.
Een luchtbrug tussen de traditie en zijn
tockomst. Moedig, maar onverteerbaar voor de pers: ''Ik werd verlaten. Zé schreven niet
meer over mij. in zo'n geval moet je doorzetten, maar ik was zick. Als een kind dat van de
moederbost werd gerukt.''
Ironic
Brussel. Een volle zaal wacht gespannen op het
eersie Belgische optreden van deze kultlegende. Toch even dank aan fan David Byrne
(Talking Heads), die in 1986 het beste van Tom Zé verzamelde op een cd en daar in 1992
The Hips Of Tradition aan toevoegde. Suksesvol, en dus geniet de man nu eindelijk van
enige mondiale erkenning. Nave Maria, een grillig lied over geboorte. Een zware basriff,
tegendraads klavier, veel perkussie. Tai volgt, melodieuzer en ironisch op de
liefdespoezie inhakkend. Want Zé, dat is ironie. De man ondermijnt konstant zijn omgeving
door zijn kontrastrijke strukturen en zijn buitensporige podiumprésence.
Hilarisch wordt het wanneer hij in het
satirische Jingle do Disco zijn eigen cd aanprijst: Tom Zé/ Geeft je ontspanning./ hoge
sferen en geluk./ Tom Zé! De zaal plat van het lachen. Meteen enkele korte miniaturen
erna: vingeroefeningen van een gekke knutselaar. En de samba Ogodo, waarop de hele zaal
meezingt. Haast onvergetelijk hoe Zé door zijn hoekige, haast manische lichaamstaal zijn
vijfkoppige groep én publick dirigeert. De muzick fascineert, de kommentaren tussendoor
in stuntelig Frengels charmeren, de act nonizeert.
En dat kleine mannetje geniet met voile teugen
van het simpele feit dat hij op zijn lange rit nu ook passagiers heelft.
Frappant is zijn ongewone visie op het
instrument. ''Claude Lévy-Strauss vertelde dat alle grote uitvindingen al gedaan waren
vóór onze zogenaamde beschaving begon. Huizen bouwen. Temmen van dieren.
Landbouw. Metaalverwerking. Enzovoort...
Daarna is er niets meer uitgevonden, tot ze met atomen gingen werken. Toen ik dat hoorde,
overviel mij een artistieke emotie. Ik besloot die ideeen op de muziek toe te passen. Een
flesopener, e vinden voor elk stuk. Ik wil instrumenten laten bespelen alsof het
primitieve instrumenten zijn. Teruggaan in de tijd.''
Dat blijkt. Op het einde, van het tweede
deeltrecken Zé en zijn groep werkpakken aan.
Een slijpmachine ideeen op.
Een stel lepels en vorken bengelend aan een
staak. Hamertjes. En ze spelen de samba, als een raderwerkje op mekaars helmen kloppend,
door lepels graaiend, vonken slijpend van hun instrumenten.
Terwijl het publiek ademloos toekijkt, trekt
Tom Zé zijn indeeen tot hun uiterste konsekwentie door. En meteen blijkt ook hoezeer hij
nog in de jaren zeventig zit, want dergelijke ''industriele'' aksenten waren hier ook
gangbaar. Maar voor de volstrekt amodieuze Zé is dat geen punt: hij luistert erg weinig
naar muziek, zockt zijn weg. En de provocatie, want ''alleen wat niet direct begrijpelijk
is, daagt uit.''
Kind
Na bet geboren besloot
bij uitibundig, met om wat gezegd is, maar om de aandacht. Hij is blij in Belgie te zijn,
ja. David Byrne vertelde hem over een koor dat zo goed was. Jongens en meisjes, euh...?
Hij bedoclt Zap Mama, blijkt na drie minuten vliegers oplaten. Uitbundig gelach.
Ik vraag hem waarom hij, noorderling,
cigenlijk in het urbane São Paulo woont. Hij sleept er meteen proust bij.
''Tocn hij kind was, luisterde die naar de
klokken van Cambrai. Daarna nooit meer, tot hij oud was en ze opnieuw hoorde. Maar ik ben
altijd blijven luisteren. Zelfs hier zie en hoor ik kleine dingen die me aan Bahia
herinneren. Alain Resnais zei dat je het meeste leert in je eerste levensjaren. Ik leef
nog steeds half in die tijd.''
Het publiek neemt, na drie bisnummers,
entoesiast afscheid met een staande ovatie.
Tom Zé valt niet te herleiden tot één van
de komponenten van zijn sukses: het is niet de ironische beeldenstormer die bocit,
noch de tedere samba-poeet, noch de gekke performer, maar het samenspel van alle drie. Hij
is die musikant die kompositie een beetje als uitvinden ziet, maar vanuit zijn toren het
applaus van het volk nodig heeft.
''Ik ging onlangs mijn eigen oude platen
zoeken in een tweedehandszaak, want alleen daar kan je ze vinden. Maar er waren er geen.
De verkoper zei dat hij alles doorverkocht had naar Los Angeles, waar ze erg gegeerd
waren. Tja...''
Gauw terugkomen maar.
Peter Vantyghem
Cd: Tom Zé, The Best Of Tom Zé, Warner 926396, (42'40'')
- Tom Zé, The Hips Of Tradition, Warner 245118, (40'20'').
|